Witte hulpverleners
‘Ik praat niet met hulpverleners’, klinkt het door de intercom. 'Ik heb geen hulp nodig'. ‘Dat weet ik, en dat hoeft ook niet’, zeg ik terug, ‘ik kom alleen maar even kennismaken, omdat ik een training ga geven aan uw dochter. Ik dacht, misschien vindt u het wel fijn om eerst te zien wie ik ben.’ ‘Oh. Kom dan maar boven”, zegt de stem.
Ze kijkt me onderzoekend aan. Ik steek m’n hand uit. Ze is jonger dan ik dacht. Er schuilt een peuter achter haar benen, een prachtig meisje, even prachtig als haar moeder, met dezelfde glanzende huid, ingevlochten haren en pikzwarte ogen die me nieuwsgierig aankijken.
‘Drie op school en eentje thuis, dat is een druk leven’, zeg ik. Moeder knikt vermoeid. Het is net of ze er niet helemaal bij is. Je middelste dochter, begin ik, ‘die schijnt behoorlijk temperamentvol te zijn, klopt dat?’ Er breekt een lachje door. ‘Klopt het ook dat ze erg op u lijkt?’, vraag ik door, en weer zie ik dat lachje, subtiel, in haar ogen. Er is een klik tussen ons, maar ik moet voorzichtig zijn, dat voel ik aan alles. En ik voel verdriet. Groot inktzwart verdriet.
‘Daar’, zegt de meester. Hij wijst naar het plafond. Er hangt een schaar in, aan de punt. Die is er welgemikt met kracht ingegooid. ‘Dat is het werk van Chelsea. Die meid verplaatst hele bureaus als ze kwaad is.' ‘Wow Chelsea’, zeg ik en ik doe een stap achteruit, ‘zullen we afspreken dat wij geen ruzie krijgen?’ Ze moet lachen. Ze heeft exact dezelfde lach als haar moeder, een lach waar ik bij allebei op slag verliefd op ben. Een lach die de zon kan laten doorbreken, maar dat is al een hele tijd niet meer gebeurd, want zoveel te lachen was er niet, de afgelopen jaren.
Moeder heeft namelijk nogal wat verlies geleden. Zwanger van een tweeling breken door een fout van het ziekenhuis veel te vroeg haar vliezen, en komen de kinderen ter wereld. Het zijn twee jongetjes. Ze overleven het niet. Ze wordt opnieuw zwanger, van weer een tweeling. Ook dat zijn twee jongetjes, en ook zij komen te vroeg, dit keer spontaan. Een overlijdt vlak na de geboorte, de ander blijft in leven, geholpen door zijn moeder en een team van artsen en verpleegkundigen. Hij groeit als kool. Maar dan, na acht maanden vechten, knijpt ook hij er zomaar tussenuit, onverwacht op het eerste en enige moment dat zijn moeder even van zijn zijde is geweken. Vanaf die dag is alles zwart. Moeder stort in, blijft in bed en weigert stelselmatig alle hulp, tot grote frustratie van jeugdzorg. Het duurt niet lang tot ze bekend staat als ‘de moeder die niet wil meewerken’. In de verslagen lees ik dat ze zich moet laten behandelen, en dat als ze dat niet doet, er een melding wordt gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming.
Elke week ga ik bij moeder langs. Ik vertel haar over de training met Chelsea. Ik vraag haar advies. En soms vraag ik naar haar leven. Stukje bij beetje vertelt ze haar verhaal. Ik luister. Meer niet. De bezoekjes worden steeds meer ontspannen. Ik leer haar en de kinderen langzaam kennen. De maanden verstrijken. In mijn achterhoofd zoemt de opdracht die ik meekreeg van Bureau Jeugdzorg. Ik moet mijn evaluatieverslag schrijven en heb Het Onderwerp nog niet ter sprake gebracht. Op een dag trek ik de stoute schoenen aan en haal ik het formulier uit mijn tas. ‘Mag ik je iets vragen’, zeg ik. ‘Je weet dat ik in opdracht van jeugdzorg werk he?’ Moeder schrikt. ‘Nee nee niet schrikken, ik wil alleen even met je naar de doelen kijken, die voordat ik begon door jeugdzorg samen met jou zijn opgesteld. De eerste drie zijn voor Chelsea, en deze is voor jou. Hier staat het, lees maar mee: Moeder gaat naar Mentrum voor rouwverwerking. Herken je dat? Is dit inderdaad je hulpvraag?’
Dat had ik beter niet kunnen vragen. Moeders ogen spugen vuur. ‘Nee’, zegt ze fel. ’Gitta luister. Ik vertrouw geen witte hulpverleners. Jullie snáppen het niet. Wat moet ik daar doen? Om een tafel zitten? Met kaarsjes? Praten?!? Ik ben moe van praten. Het brengt mijn kinderen niet terug. Ik doe het wel alleen.’
‘Als dit jouw hulpvraag niet is’, zeg ik rustig, ‘dan strepen we hem door. Hier. Kijk maar. Ik schrijf een verslag over Chelsea en als je wil dat ik blijf komen vraag ik om verlenging. Bedenken we in de komende maanden een doel dat wél bij je past. Denk er maar rustig over na. Ik zou heel graag nog wat langer bij jullie blijven. Chelsea doet het goed, maar kan nog wel een steuntje blijven gebruiken. En ik vind het fijn om bij je te komen, gewoon, om te zitten en te praten, precies zoals we nu al doen.’ Moeder haalt adem. ‘Goed’, zegt ze. ‘Dank voor je vertrouwen’, zeg ik terug.
In de auto terug buitelen mijn gedachten over elkaar heen. Je zou maar moeder zijn van acht kinderen. Vier in je huis, en vier in de hemel. Je zou er maar alleen voor staan, omdat je man, die je juist nu zo hard nodig hebt, zit opgesloten, niet omdat hij iets ergs heeft gedaan, maar omdat hij illegaal in Nederland is. Je zou maar hulpverleners moeten ontvangen, die stellen dat je depressief bent en moet rouwen. Niet op je eigen manier, maar op die van hun, bij een degelijke instelling, met een witte psychiater. Je zou maar weigeren omdat je daar niet in gelooft, en dan voor de keuze worden gesteld: Of je gaat rouwen zoals wij vinden dat dat moet, of we bellen de kinderbescherming en halen die andere vier ook bij je weg. Ik mocht het natuurlijk niet hardop zeggen maar ik begreep het wel, dat deze moeder niemand meer binnenliet.
Op kantoor houd ik een vurig pleidooi. Dat ik de doelen niet gehaald heb, maar dat er heus progressie zit in het traject. Dat ik meer tijd nodig heb om het vertrouwen te laten groeien. Omdat tijd wonden heelt. Mijn collega’s geloven het maar half. Moeder weigert professionele hulp vinden ze. Hoe ik zeker weet dat ze dan wel beter wordt, ik ben geen psychiater toch? Er moet meer dwang achter, misschien een zwaargewicht, want dit is niet goed voor kinderen, te leven met een moeder die een groot deel van de tijd in bed ligt en niet de fut heeft om te koken. Een moeder die nauwelijks buitenkomt. Een moeder die boos is, die huilt. Een moeder die niet meewerkt.
Gelukkig is er ook een ander geluid. De gedragswetenschapper van ons team is net als moeder Antilliaanse. Ze snapt mijn frustratie en geeft me haar vertrouwen. Ik krijg nog drie maanden. “Maar doe geen gekke dingen, Git, overleg elke stap met mij”, zegt ze en ik beloof dat.
Chelsea ziet er moe uit. Haar anders zo stralende huid is mat, haar ogen staan dof. ‘Heb je slecht geslapen schat?’, vraag ik haar. ‘Ja’, zucht ze, en ze begint te huilen. ‘Ik zie hem elke nacht, mijn broertje. Hij komt steeds spoken. Ik ben bang voor hem. Mijn moeder ziet hem ook. We liggen elke nacht samen onder de dekens en wachten tot het weer licht wordt.’ Als ik die middag bij moeder ben zeg ik haar wat Chelsea me heeft verteld. ‘Ja het klopt’, zegt ze. ‘Elke nacht zien we zijn schaduw. Ik wil hem niet zien. Ik ben bang. En Chelsea ook.’ ‘Ik begrijp het niet’, zeg ik. ‘Waarom ben je bang? Het is je kind, toch? Waarom kijk je hem niet aan? Waarom vraag je hem niet wat hij je wil vertellen?’ ‘Ik kan hem niet aankijken Gitta’, zegt ze, ‘ik voel me zo schuldig. Ik ben geen goede moeder geweest, ik heb hem dood laten gaan’. We hebben een lang gesprek. Moeder vertelt dat ze nooit heeft begrepen waarom hij doodging, het was zo plotseling, het ging allemaal zo snel. Ik stel voor om terug te gaan naar het ziekenhuis, om de artsen te vragen wat er nou precies gebeurd is, die nacht. Ik doe wat telefoontjes en twee weken laten rijden we samen naar het VU-ziekenhuis. Daar wordt moeder als een vorstin onthaald. De hele afdeling kent haar nog. Zoals ze bij ons bekend staat als ‘de moeder die niet wil meewerken’, zo kennen ze haar daar als de moeder die acht maanden lang onvermoeibaar naast haar kind heeft gezeten. Hem heeft geknuffeld, voor hem heeft gezongen, en gebeden. Als ze haar op een avond naar huis sturen omdat ze zo ontzettend moe is, gaat de kinderarts naast het bedje zitten. Dan gebeurt iets ongelooflijks. De rozenkrans die moeder heeft opgehangen breekt. Hij valt in het wiegje. Op dat moment blaast de baby zijn laatste adem uit. ‘Hij wilde niet opgeven’, zegt de arts, zichtbaar geëmotioneerd. 'Maar hij had geen schijn van kans. Zijn longen waren niet volgroeid. Het is een wonder dat hij het zo lang heeft volgehouden. Hij heeft het voor jou gedaan. Zolang jij naast hem zat kon hij je niet verlaten.’ Moeder huilt. Ik ook. ‘Zie je’, zeg ik door mijn tranen heen, ‘je bent een goede moeder. Je hebt als een tijger gevochten. En hij ook.'
‘Is dat misschien wat hij je wil vertellen?’, vraag ik moeder op de terugweg in de auto. ‘Dat je je niet schuldig moet voelen?’ Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien’, zegt ze, ‘maar er is nog iets. Ik ben nooit meer teruggegaan naar het graf. Ik heb het laten verwaarlozen. Ik weet niet eens of ik het nog terug kan vinden. Hoe kan ik hem aankijken als ik er zo’n puinhoop van heb gemaakt?’ ‘Laten we samen teruggaan’, stel ik voor. ‘Dan kopen we bloemen en een schep en maken we er iets moois van. Wat zeg je ervan?’
Als ik haar een week later kom halen is moeder nerveus. ‘Ik durf niet Gitta, blijf je bij me?’, vraagt ze. ‘Natuurlijk’, zeg ik. We lopen de begraafplaats op. Ze hoeft niet te zoeken. ‘Hier is het’, zegt ze. Ze knielt neer. Samen halen we het onkruid weg, leggen bloemen neer, en steken kaarsen aan. Onder het zand vinden we een knuffelbeertje. Na een uurtje ziet het er opgeruimd uit. ‘Zal ik je even alleen laten?’, vraag ik en ik doe een stap achteruit. Moeder blijft zitten. Ze heft haar handen omhoog. Een tijdlang zit ze zo, zwijgend, en ik kijk naar haar. Dan ineens kijkt ze achterom: ‘Hij is hier’, fluistert ze. ‘Hij zegt dat ik niet moet huilen. Dat ik sterk moet zijn. Dat het goed met hem gaat.’ Ze veegt de tranen van haar gezicht. Ze lacht. De zon breekt door.
De weken daarna ontmoet ik de familie van moeder. We bezoeken haar man, in de gevangenis. Ze neemt me mee naar haar kerk, waar ze al maandenlang uit schaamte niet meer komt. Ook daar wordt ze gastvrij onthaald. Er wordt voor haar gebeden, en gezongen. Ze neemt zich voor om weer te blijven komen. Ze gaat er beter uitzien, ze maakt zich weer op, kleedt zich kleuriger. Ook de kinderen lijken opgelucht. Er wordt weer gelachen in huis.
En dan is de tweede termijn verstreken. Opnieuw heb ik de doelen niet gehaald. Moeder weigert nog steeds naar de psychiater te gaan. Ik vraag om een laatste verlenging van drie maanden maar de casemanager van jeugdzorg is onverbiddelijk. ‘Je bent te betrokken’, zegt ze. ‘Er moet iemand anders in.’ Ik zeg haar dat dat geen kans heeft maar ze wil het niet horen. ‘Er gaat iemand anders in en als moeder weigert doe ik een melding bij de Raad.’
Moeder is woedend als ik haar vertel dat mijn tijd erop zit. ‘Ik wil niemand anders Gitta', zegt ze, 'ik ga het niet doen.’ ‘Dan doen ze een melding’, zeg ik, ‘je moet slim zijn. Ga akkoord en kijk wat er gebeurt. Misschien klikt het ook wel met die ander. Geef hem of haar een kans. En als het niet werkt zien we wel weer. Dan heb je in ieder geval wat tijd gewonnen. Ik kan de eerste keren meekomen. Gooi alsjeblieft niet nu je ruiten in, net nu het beter met je gaat.’
In het kille kamertje bij Bureau Jeugdzorg zitten we tegenover elkaar. De piepjonge casemanager van jeugdzorg aan de ene kant, moeder en ik aan de andere kant van de tafel. ‘Zo’, zegt de casemananager. ‘We gaan het traject afsluiten. Vanaf volgende week komt er een andere hulpverlener.’ ‘Nee’, zegt moeder. ‘Jawel’, zegt de casemanager, ‘dat hebben we zo afgesproken. Als u weigert doe ik een melding bij de Raad.’ ‘Dat ís geen afspraak’, briest moeder, ‘dat is chantage. En ik doe het niet. Ik wil naar huis.’ ‘Maar mevrouw’, sputtert de casemanager, haar blik verschrikt. ‘Ik wil naar huis’, zegt moeder nog een keer. ‘Nu.’ ‘Maar mevrouw, begrijpt u wat de consequenties zijn, als u dit niet tekent?’, doet de casemanager nog een poging. Moeder gaat rechtop zitten. Ik voel dat dit gaat mislopen, zie het bureau al door de kamer vliegen. ‘Je hoort haar’, zeg ik kalm tegen de casemanager. ‘Ze wil naar huis. We gaan.’
‘Sufferd!’, zeg ik als we buiten staan. ‘Je had gewoon moeten tekenen. Wat gebeurde er nou?’ ‘Ik kan niet liegen’, zegt moeder. ‘Dat siert je’, zeg ik terug, ‘maar onhandig is het wel.’ ’Het spijt me’, zegt moeder. ‘Ik wil gewoon geen ander meer. Ik vertrouw geen witte hulpverleners.’ ‘En wat ben ik dan?’, roep ik. ‘Jij bent door God gezonden’, lacht moeder, en ze geeft me een zoen. ‘Het komt wel goed. Dank je voor alles.’
Mijn hemel, Gitta, wat schrijf je dit schrijnende voorval prachtig op. Tenenkrommend hoe BJZ en het hele pentagon van jeugdhulpverlening tekeer gaat. En prachtig hoe jij overeind blijft.
BeantwoordenVerwijderenWow zeg. Mooi opgeschreven maar zo een schrijnende (Inderdaad witte) waarheid. Alles volgens de protocollen. Zo kan het toch niet werken in de samenleving? Zo wérkt het niet in de samenleving! Zouden we het ooit nog meemaken dat Hulp op maat flexibel ingezet kan worden? Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het betwijfel. Jammer. Zo jammer.
BeantwoordenVerwijderenDe wereld zou een stuk mooier zijn als we echte engelen zoals jij alle ruimte geven om te doen wat ze vinden dat ze moeten doen. Zo moeilijk of duur kan dat toch niet zijn?
BeantwoordenVerwijderenVraag je je wanhopig af: "Hoe krijg ik mijn man terug?" na veel tijd is verstreken zonder dat je man bij je terugkomt? Op dit moment zit je vast in een zeer wanhopige situatie, terwijl je geest uitgeput voelt, terwijl je lichaam bereid is om in elke mate te gaan om je man terug te krijgen. Waarom niet contact opnemen met Dr. Yakaya-spreuk wiens e-mail is: Yakayatemple@gmail.com of toevoegen hem op WhatsApp +2347050270227 en breng je man binnen 24 uur terug.
BeantwoordenVerwijderen