dinsdag 26 april 2016

Zij van DWI

Dat er bezuinigd moest worden was (en is) natuurlijk een schande, maar los daarvan kon en moest het ook wel anders in de zorg, vonden velen, waaronder ikzelf. Want, eerlijk is eerlijk, een beetje doorgeslagen waren we wel, in het bemoeien en betuttelen. Sommige gezinnen hadden zoveel hulpverleners dat ze de namen door elkaar gingen halen, en er waren erbij die zo gewend waren geraakt aan de dagelijkse portie support dat ze geen enkele noodzaak meer voelden hun benen van tafel te halen en begonnen te schelden als ze op woensdagmiddag zelf hun kinderen naar ballet of het voetbalveld moesten brengen. 

De hulpvrager moest kortom uit de slachtofferrol, en ‘eigenaar’ blijven van zijn probleem, en de hulpverlener moest in plaats van kopjes thee inschenken, tranen drogen en enveloppen openmaken net zolang motiverende vragen stellen tot de hulpvrager zelf had bedacht wat nou eigenlijk zijn probleem was en wie en wat hij daarbij nodig had om het op te kunnen lossen. Een prachtig concept. 

Er werden wijkteams opgericht, in elke gemeente een beetje anders maar volgens hetzelfde principe. Vanuit verschillende professionele organisaties werden mensen uitgezonden om met elkaar een multidisciplinair team te vormen: een verzameling professionals die, elk met hun eigen schat aan kennis, ervaring en talent, pro-actief de wijk in zouden trekken om de kwetsbare burger met minimale inzet van geld of middelen en maximale inzet van het eigen netwerk weer in z’n kracht te zetten. Eens per week kwamen ze bij elkaar, aan een lange tafel in het buurtcentrum en bespraken ze de verschillende casussen, om inzichten op te doen, van elkaar te leren en elkaar te bevragen of adviseren. 

Een jaar of vijf geleden kreeg ik de vraag of ik, vanuit de organisatie waarvoor ik toen werkte, voor een paar uur per week deel wilde nemen aan zo’n kersvers opgezet wijkteam. Ik riep onmiddellijk ja. Dus reed ik in mijn Skoda op een dag naar Amsterdam Zuid-Oost, waar ik in een onooglijk bunkertje mijn collega-professionals ontmoette: een team van zeker twintig zwaargewichten uit alle hoeken van hulpverleningsland, een team dat op het eerste gezicht net zo multi-cultureel van samenstelling was als de wijk zelf. Ik was onder de indruk. De vergadering verliep chaotisch, ik werd door iemand welkom geheten, er werd geschreeuwd, gelachen, gezucht, er werden thermoskannen koffie doorgegeven en de suiker en de melk, een telefoon ging (“Hallo! Kan ik je later terugbellen, ik ben in vergadering!”), iemand moest eerder weg, iemand kwam later aan en moest ergens anders een stoel vandaan halen, iemand vroeg of  ‘het even centraal kon’, er werd aangebeld, iemand deed open en wees iemand luidruchtig waar hij wél moest zijn, en ondertussen werden er casussen verdeeld (“wie gaat hierop af jongens?”), en casussen besproken, waarbij het mij niet helemaal helder werd op welke manier de voorzitter dacht met zoveel mensen binnen vijftien minuten tot de kern van de zaak te kunnen komen, als daarover niets was afgesproken en bovendien niemand iemand liet uitspreken. Na twee uur vergaderen was ik kapot, maar had ik wel mijn eerste opdracht: Ik mocht gaan kennismaken met een zogenaamd ‘multi-problem’-gezin, ook wel draaideur-gezin genoemd, vanwege de uitzichtloosheid van de steeds terugkerende problemen. 

Later die week reed ik weer naar Amsterdam Zuid-Oost en parkeerde ik mijn auto op een grauw terrein voor een al even grauwe flat. Ik was vroeg dus besloot een stukje door de buurt te lopen. Er lag vuilnis op de stoep, zo te zien al een tijdje. Ramen waren ingegooid. Groepjes mannen hingen rond onder viaducten. Het was de aanblik van de Bijlmer zoals ik die kende van twintig jaar daarvoor, en terwijl ik me steeds ongemakkelijker begon te voelen vroeg ik me af wat er in de laatste jaren gebeurd was, want voor zover ik wist had precies dit stuk van de Bijlmer een jaar of tien daarvoor een grote opknapbeurt gehad. Snel liep ik terug naar de flat en belde aan. 

De lift stonk naar pis, en de muren van de galerij waren afgebladderd. Bij de eerste deur die ik open zag staan keek ik voorzichtig naar binnen. Een magere blanke vrouw kwam op me af en gaf me een hand. Ze zag er slonzig uit en had donkere kringen rond haar ogen. Ik kon haar leeftijd niet goed schatten, ik vermoedde dat ze jonger was dan ik. Langs een berg wasgoed manoeuvreerde ik mezelf de woonkamer in. Daar lag, op een aftandse leren bank een baby'tje te slapen, een heel kleintje nog, ik schat een week of drie. 'Is die van jou?', vroeg ik verbaasd, want daarover had ik niets gelezen. 'Nee', zei ze, 'van m’n nicht.' Ze sloot de deur naar de hal en gebaarde dat we zachtjes moesten praten want haar vriend sliep nog en die had het niet op hulpverleners. 

Wat ik voor haar kon betekenen, vroeg ze me met priemende ogen. Wat ze van mij nodig had, stelde ik haar een wedervraag. 'Een fiets zou heel fijn zijn', was haar antwoord en hoewel ik wist dat ik nu volgens het concept motiverend zou moeten doorvragen over ‘wat ze er zelf al aan gedaan had om aan een fiets te komen’, kon ik dat niet over mijn hart verkrijgen. Ik vroeg haar of ze me wat meer wilde vertellen over hoe haar leven eruit zag, dat ik veronderstelde dat het hard werken voor haar was om haar hoofd boven water te houden, dat ik geen fiets in de achterbak van mijn auto had, maar wel graag met haar mee wilde denken over de problemen waar ze mee kampte en hoe die hanteerbaar te maken. Ze knikte. De fiets bleek nodig om naar de voedselbank te kunnen komen, waar ze op aangewezen was sinds haar ex haar had aangeboden haar huurachterstand in te lossen, en haar sindsdien systematisch onder druk zette de rente terug te betalen, een absurd hoog bedrag waarover bij het aangaan van de lening niets was afgesproken. De vorige keer dat hij langskwam had hij de televisie meegenomen. Een fiets zou ook fijn zijn om haar jongste naar de speelzaal te brengen trouwens, en om haar moeder te kunnen bezoeken, die een blok verderop oud en ziek in bed lag. Ik voelde een knoop in mijn maag. ‘Heb je mensen om je heen die je steunen?’, vroeg ik toch maar verder, volgens de oplossingsgerichte methode. ‘Mijn vriendin Anja’, antwoordde ze, en mijn buurvrouw, hier, aan de rechterkant. Die is slecht ter been, ze is altijd thuis. Soms help ik haar met ramen lappen en boodschappen doen, en daarvoor geeft ze me wat geld, waardoor ik eten kan kopen voor de kinderen. ‘Wat fijn, zo’n buurvrouw’, zei ik, ‘en wat doe je het stoer allemaal. Ik moet nu weer gaan, maar kom volgende week terug. Dan praten we verder, goed?’ ‘Ga je nog voor me kijken of de gemeente een fiets voor me kan regelen?’, vroeg ze. ‘Ja’, zei ik. ‘Ik ga het onderzoeken.’

De week erna bracht ik deze casus in in de teamvergadering. Ik hoopte op informatie over een fonds, of iets van bijzondere bijstand, als vertrekpunt, en verder wilde ik van mijn collega’s horen hoe zij het in godsnaam deden: Licht en vrijwillig werken in gezinnen met zulke zware problematiek. Ik keek de tafel rond en begon mijn verhaal. Het viel nog niet mee om ervoor te zorgen dat ik niet steeds werd onderbroken, en ik was verbaasd door het feit dat veel van mijn collega’s helemaal niet opkeken van de barre leefomstandigheden van deze mevrouw, het normaal leken te vinden en er zelfs grappen over maakten. 'Maar', besloot ik mijn inleiding, 'als het op eigen kracht aankomt, doet deze moeder er alles aan om met hulp van haar netwerk te overleven. Als ze echt geen eten meer kan kopen maakt ze schoon bij de buurvrouw, waar ze vijftien euro voor krijgt en dan nét de week doorkomt.' 

Ik had heus geen applaus verwacht, maar ook niet dat zij van DWI haar laptop zou openklappen en me zou vragen: 'Heb je het BSN-nummer van die mevrouw? Of haar geboortedatum? Dan kijk ik even of ik haar in het systeem kan vinden, want als ze een uitkering heeft moet ze haar bijverdiensten melden. Als ze dat niet doet is ze strafbaar.' Ze keek me streng in de ogen. 'We werken voor de overheid Gitta, we moeten ervoor zorgen dat de regels worden nageleefd.' 

Ik voelde mijn maag samentrekken, werd rood en begon te stotteren. Dat dat nou niet precies het antwoord was waarop ik hoopte en dat ik dacht dat ik hier in alle openheid mijn dilemma’s kon delen. Hoe het zat met privacy. Dat ik genoeg wist en erover na moest denken. Dat ik weg moest. Ik pakte mijn tas en verliet de ruimte. 

Buiten hapte ik naar adem. Mijn hoofd tolde. Ik begreep er helemaal niets meer van en wilde nog maar één ding: Er niets meer mee te maken hebben. Ik reed terug naar mijn moederorganisatie en luchtte mijn hart. Niet veel later besloot ik om van wijkteam te wisselen, en een ander mijn plaats in Zuid-Oost in te laten nemen, omdat de combinatie multi-problemgezin, eigen kracht, lichtgewicht hulpverlening én het handhaven van de regels voor mij, als professional en als mens, te moeilijk te hanteren was.







vrijdag 22 april 2016

Schaamte

‘Is het een cadeautje?’, vraagt de mevrouw van de Ako. ‘Nee nee’, stotter ik, ‘Het is voor mezelf’. Snel prop ik het boekje in m’n tas. Eigenlijk zou ik haar willen uitleggen dat het niet mijn gewoonte is dit soort boeken te kopen. Dat ik neerkijk op zelfhulpboeken, van de titel vaak alleen al een beetje misselijk word. Dat ik zelf een boek geschreven heb, en schrijvers die er toe doen in m’n vriendenkring heb. Dat ik normaal gesproken literatuur lees, van grote namen, of kleine ontdekkingen. Dat ik een liefhebber ben van taal, en van verhalen. Dat ik me graag laat meevoeren, in verwondering of bewondering, dat lezen voor mij meer is dan een tijdverdrijf, je zou het een noodzaak kunnen noemen, mevrouw van de Ako. Een boek als dit is voor andere mensen, die dolgraag willen geloven dat het waar is wat het lekkere wijf op de achterflap beweert: dat we slechts tien stappen verwijderd zijn van een opgeruimd leven zonder stress, wát een pretentie hahahaha… Maar de mevrouw van de Ako is allang weer bezig met de volgende klant en ik maak me schichtig uit de voeten. 

In het vliegtuig haal ik het boekje uit mijn tas en bekijk ik het eens goed. ’De moed van imperfectie’ heet het en alsof dat nog niet erg genoeg is staat daarboven, in subtiele groene letters: ‘Mijn nieuwe Super Soulmate.’ - Oprah Winfrey. Ik besluit mijn genadeloze oordeel en het gevoel van verwarring over waarom ik het desondanks kocht naast me neer te leggen en begin te lezen. 

De schrijfster van het boek, Brené Brown, blijkt een onderzoekster die jarenlang onderzoek heeft gedaan naar kwetsbaarheid, moed, authenticiteit en schaamte. Ze ontdekt dat schaamte universeel is, en een van de meest primitieve emoties die wij als mens ervaren. Ze definieert schaamte als volgt: 

‘Schaamte is het intens pijnlijke gevoel dat voortkomt uit de overtuiging dat we niet goed genoeg zijn en daarom geen liefde en verbondenheid waard zijn.’

Het boek is een pleidooi voor het opbouwen van ‘schaamtebestendigheid’ -het vermogen om schaamte te herkennen en erdoorheen te waden zonder gevoel van eigenwaarde te verliezen en onszelf geweld aan te doen- door te praten over de oorzaken van schaamte. ’Hoe minder we over schaamte praten, hoe meer grip schaamte op ons leven heeft’, beweert ze, om vervolgens helder uit te leggen waarom dat nog helemaal niet zo makkelijk is. Een ander hoofdkenmerk van schaamte is namelijk dat we er allemaal tegenop zien om erover te praten.

‘We vinden het allemaal moeilijk om toe te geven dat we ergens mee worstelen, en als we heel hard ons best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat alles er van de buitenkant perfect uitziet, dan zetten we door de waarheid te vertellen heel wat op het spel. Daarom is schaamte ook zo dol op perfectionisten: het is heel makkelijk om ons de mond te snoeren.’ 

Terwijl ik de dag erna door Rome slenter, tussen hordes toeristen die schaamteloos hun witte kuiten tonen onder degelijke korte broeken en ongegeneerd selfies nemen in katholieke kerken, waar de schaamte van de muren druipt, blijft wat ze zegt door m’n hoofd zoemen. Is het waar? Is schaamte een basisemotie waar we echt allemaal mee worstelen, en die we allemaal net zo hard proberen te verbergen? 

Als ik die avond in het hotel een nieuw verhaal begin over een weerbarstige moeder in de klauwen van de jeugdhulpverlening, want dat is mijn nieuwe missie, bedenk ik ineens dat dit nieuwe inzicht over schaamte misschien in dat licht wel een hele belangrijke is. Tot dusver heb ik het ‘zwanengedrag’ van moeders, dat weerstand genoemd wordt in hulpverleningstaal, uitgelegd als angst en onzekerheid. Om als hulpverlener echt te kunnen helpen is het nodig om bij die angst te komen, en daar erkenning voor te geven, veronderstelde ik, door veel tijd te steken in het maken van contact, door goed aan te sluiten en oordeelloos te luisteren. Moeders voelen het, als een hulpverlener een oordeel heeft, en blokkeren direct. Het professionele oordeel raakt namelijk aan hun eigen basisangst/onzekerheid: ‘Ik ben een slechte moeder’. 

Maar hoe zit het met schaamte? Is dat misschien een nog wel diepere emotie, verscholen achter de onzekerheid en de angst het niet goed te doen? Is het niet ook precies die schaamte die ons moeders zo verschrikkelijk kwetsbaar maakt, in een maatschappij die zulke hoge eisen stelt dat het onmogelijk is eraan te voldoen? En is het waar, dat we over alles praten, maar niet daarover, waardoor het alsmaar meer bezit van ons neemt? 

In ‘Heb je blij?’ schrijf ik:

‘Sinds Julian er is erger ik me niet meer aan huilende baby’s in de trein, in het vliegtuig, in een restaurant of in de supermarkt. Is een restaurant nog te vermijden, naar de supermarkt moet je, als jonge moeder, of je het nou leuk vindt of niet. Ik zie hem nog liggen, Julian, ergens in een gangpad. Met een bloedneus, of woest schreeuwend, kokhalzend, met zijn vuistjes trommelend op de vieze vloer. Als ik er even naast ga liggen is het zo over weet ik. Maar ja. Wat zullen de mensen daar wel niet van denken. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze loeren. ’Zou je zo’n joch niet. Als het mijn kind was gaf ik hem een pak rammel.’ Als ik me goed voel lukt het me soms om de blikken te negeren en mijn aandacht te richten op Julian die daar heus niet ligt om mijn dag te verpesten. Dan zak ik naar gelijke hoogte, kijk ik hem aan en zeg ik zachtjes lieve dingen net zolang tot hij toestaat dat ik hem troost. Dan til ik hem op en vervolgen we onze weg. Als ik me niet goed voel kijk ik gegeneerd naar de omstanders, haal ik mijn schouders op als teken dat ik het ook niet weet en sleur ik hem aan z’n arm naar de uitgang. Of ik laat hem even liggen in de hoop dat hij uit zichzelf opstaat en achter me aanloopt, of nee, laat ik eerlijk zijn, in de hoop dat de mensen vinden dat ik goed bezig ben, opvoedkundig gezien. Dit soort wangedrag moet je namelijk negeren.’ 

Het is een van de talloze voorbeelden uit mijn eigen carrière als moeder, waarin ik me zowel schaam voor de gebeurtenis zelf, als voor het gevoel achteraf me te hebben geschaamd voor het gedrag van mijn eigen kind. Ik besluit deze gedachten vanaf nu mee te nemen naar de gezinnen, me in de eerste kwetsbare gesprekken met de ouders meer bewust te zijn van de schaamte die ze mogelijk voelen over het moeten accepteren van hulp bij het opvoeden van hun kind, en ik neem me voor daar met compassie liefdevol geruststellend op te anticiperen.

Maar nu denk ik alleen nog maar aan mijn gevoel van schaamte toen ik het boekje kocht, en het gevoel van schaamte dat overbleef toen ik het uit had: Ik schaam me voor mijn eigen arrogantie. Maar dat heb ik maar wél mooi uitgesproken. 

maandag 11 april 2016

Witte hulpverleners

‘Ik praat niet met hulpverleners’, klinkt het door de intercom. 'Ik heb geen hulp nodig'. ‘Dat weet ik, en dat hoeft ook niet’, zeg ik terug, ‘ik kom alleen maar even kennismaken, omdat ik een training ga geven aan uw dochter. Ik dacht, misschien vindt u het wel fijn om eerst te zien wie ik ben.’ ‘Oh. Kom dan maar boven”, zegt de stem. 
Ze kijkt me onderzoekend aan. Ik steek m’n hand uit. Ze is jonger dan ik dacht. Er schuilt een peuter achter haar benen, een prachtig meisje, even prachtig als haar moeder, met dezelfde glanzende huid, ingevlochten haren en pikzwarte ogen die me nieuwsgierig aankijken. 

‘Drie op school en eentje thuis, dat is een druk leven’, zeg ik. Moeder knikt vermoeid. Het is net of ze er niet helemaal bij is. Je middelste dochter, begin ik, ‘die schijnt behoorlijk temperamentvol te zijn, klopt dat?’ Er breekt een lachje door. ‘Klopt het ook dat ze erg op u lijkt?’, vraag ik door, en weer zie ik dat lachje, subtiel, in haar ogen. Er is een klik tussen ons, maar ik moet voorzichtig zijn, dat voel ik aan alles. En ik voel verdriet. Groot inktzwart verdriet. 

‘Daar’, zegt de meester. Hij wijst naar het plafond. Er hangt een schaar in, aan de punt. Die is er welgemikt met kracht ingegooid. ‘Dat is het werk van Chelsea. Die meid verplaatst hele bureaus als ze kwaad is.' ‘Wow Chelsea’, zeg ik en ik doe een stap achteruit, ‘zullen we afspreken dat wij geen ruzie krijgen?’ Ze moet lachen. Ze heeft exact dezelfde lach als haar moeder, een lach waar ik bij allebei op slag verliefd op ben. Een lach die de zon kan laten doorbreken, maar dat is al een hele tijd niet meer gebeurd, want zoveel te lachen was er niet, de afgelopen jaren. 

Moeder heeft namelijk nogal wat verlies geleden. Zwanger van een tweeling breken door een fout van het ziekenhuis veel te vroeg haar vliezen, en komen de kinderen ter wereld. Het zijn twee jongetjes. Ze overleven het niet. Ze wordt opnieuw zwanger, van weer een tweeling. Ook dat zijn twee jongetjes, en ook zij komen te vroeg, dit keer spontaan. Een overlijdt vlak na de geboorte, de ander blijft in leven, geholpen door zijn moeder en een team van artsen en verpleegkundigen. Hij groeit als kool. Maar dan, na acht maanden vechten, knijpt ook hij er zomaar tussenuit, onverwacht op het eerste en enige moment dat zijn moeder even van zijn zijde is geweken. Vanaf die dag is alles zwart. Moeder stort in, blijft in bed en weigert stelselmatig alle hulp, tot grote frustratie van jeugdzorg. Het duurt niet lang tot ze bekend staat als ‘de moeder die niet wil meewerken’. In de verslagen lees ik dat ze zich moet laten behandelen, en dat als ze dat niet doet, er een melding wordt gedaan bij de Raad voor de Kinderbescherming. 

Elke week ga ik bij moeder langs. Ik vertel haar over de training met Chelsea. Ik vraag haar advies. En soms vraag ik naar haar leven. Stukje bij beetje vertelt ze haar verhaal. Ik luister. Meer niet. De bezoekjes worden steeds meer ontspannen. Ik leer haar en de kinderen langzaam kennen. De maanden verstrijken. In mijn achterhoofd zoemt de opdracht die ik meekreeg van Bureau Jeugdzorg. Ik moet mijn evaluatieverslag schrijven en heb Het Onderwerp nog niet ter sprake gebracht. Op een dag trek ik de stoute schoenen aan en haal ik het formulier uit mijn tas. ‘Mag ik je iets vragen’, zeg ik. ‘Je weet dat ik in opdracht van jeugdzorg werk he?’ Moeder schrikt. ‘Nee nee niet schrikken, ik wil alleen even met je naar de doelen kijken, die voordat ik begon door jeugdzorg samen met jou zijn opgesteld. De eerste drie zijn voor Chelsea, en deze is voor jou. Hier staat het, lees maar mee: Moeder gaat naar Mentrum voor rouwverwerking. Herken je dat? Is dit inderdaad je hulpvraag?’ 

Dat had ik beter niet kunnen vragen. Moeders ogen spugen vuur. ‘Nee’, zegt ze fel. ’Gitta luister. Ik vertrouw geen witte hulpverleners. Jullie snáppen het niet. Wat moet ik daar doen? Om een tafel zitten? Met kaarsjes? Praten?!? Ik ben moe van praten. Het brengt mijn kinderen niet terug. Ik doe het wel alleen.’

‘Als dit jouw hulpvraag niet is’, zeg ik rustig, ‘dan strepen we hem door. Hier. Kijk maar. Ik schrijf een verslag over Chelsea en als je wil dat ik blijf komen vraag ik om verlenging. Bedenken we in de komende maanden een doel dat wél bij je past. Denk er maar rustig over na. Ik zou heel graag nog wat langer bij jullie blijven. Chelsea doet het goed, maar kan nog wel een steuntje blijven gebruiken. En ik vind het fijn om bij je te komen, gewoon, om te zitten en te praten, precies zoals we nu al doen.’ Moeder haalt adem. ‘Goed’, zegt ze. ‘Dank voor je vertrouwen’, zeg ik terug.

In de auto terug buitelen mijn gedachten over elkaar heen. Je zou maar moeder zijn van acht kinderen. Vier in je huis, en vier in de hemel. Je zou er maar alleen voor staan, omdat je man, die je juist nu zo hard nodig hebt, zit opgesloten, niet omdat hij iets ergs heeft gedaan, maar omdat hij illegaal in Nederland is. Je zou maar hulpverleners moeten ontvangen, die stellen dat je depressief bent en moet rouwen. Niet op je eigen manier, maar op die van hun, bij een degelijke instelling, met een witte psychiater. Je zou maar weigeren omdat je daar niet in gelooft, en dan voor de keuze worden gesteld: Of je gaat rouwen zoals wij vinden dat dat moet, of we bellen de kinderbescherming en halen die andere vier ook bij je weg. Ik mocht het natuurlijk niet hardop zeggen maar ik begreep het wel, dat deze moeder niemand meer binnenliet.

Op kantoor houd ik een vurig pleidooi. Dat ik de doelen niet gehaald heb, maar dat er heus progressie zit in het traject. Dat ik meer tijd nodig heb om het vertrouwen te laten groeien. Omdat tijd wonden heelt. Mijn collega’s geloven het maar half. Moeder weigert professionele hulp vinden ze. Hoe ik zeker weet dat ze dan wel beter wordt, ik ben geen psychiater toch? Er moet meer dwang achter, misschien een zwaargewicht, want dit is niet goed voor kinderen, te leven met een moeder die een groot deel van de tijd in bed ligt en niet de fut heeft om te koken. Een moeder die nauwelijks buitenkomt. Een moeder die boos is, die huilt. Een moeder die niet meewerkt.

Gelukkig is er ook een ander geluid. De gedragswetenschapper van ons team is net als moeder Antilliaanse. Ze snapt mijn frustratie en geeft me haar vertrouwen. Ik krijg nog drie maanden. “Maar doe geen gekke dingen, Git, overleg elke stap met mij”, zegt ze en ik beloof dat. 

Chelsea ziet er moe uit. Haar anders zo stralende huid is mat, haar ogen staan dof. ‘Heb je slecht geslapen schat?’, vraag ik haar. ‘Ja’, zucht ze, en ze begint te huilen. ‘Ik zie hem elke nacht, mijn broertje. Hij komt steeds spoken. Ik ben bang voor hem. Mijn moeder ziet hem ook. We liggen elke nacht samen onder de dekens en wachten tot het weer licht wordt.’ Als ik die middag bij moeder ben zeg ik haar wat Chelsea me heeft verteld. ‘Ja het klopt’, zegt ze. ‘Elke nacht zien we zijn schaduw. Ik wil hem niet zien. Ik ben bang. En Chelsea ook.’ ‘Ik begrijp het niet’, zeg ik. ‘Waarom ben je bang? Het is je kind, toch? Waarom kijk je hem niet aan? Waarom vraag je hem niet wat hij je wil vertellen?’ ‘Ik kan hem niet aankijken Gitta’, zegt ze, ‘ik voel me zo schuldig. Ik ben geen goede moeder geweest, ik heb hem dood laten gaan’. We hebben een lang gesprek. Moeder vertelt dat ze nooit heeft begrepen waarom hij doodging, het was zo plotseling, het ging allemaal zo snel. Ik stel voor om terug te gaan naar het ziekenhuis, om de artsen te vragen wat er nou precies gebeurd is, die nacht. Ik doe wat telefoontjes en twee weken laten rijden we samen naar het VU-ziekenhuis. Daar wordt moeder als een vorstin onthaald. De hele afdeling kent haar nog. Zoals ze bij ons bekend staat als ‘de moeder die niet wil meewerken’, zo kennen ze haar daar als de moeder die acht maanden lang onvermoeibaar naast haar kind heeft gezeten. Hem heeft geknuffeld, voor hem heeft gezongen, en gebeden. Als ze haar op een avond naar huis sturen omdat ze zo ontzettend moe is, gaat de kinderarts naast het bedje zitten. Dan gebeurt iets ongelooflijks. De rozenkrans die moeder heeft opgehangen breekt. Hij valt in het wiegje. Op dat moment blaast de baby zijn laatste adem uit. ‘Hij wilde niet opgeven’, zegt de arts, zichtbaar geëmotioneerd. 'Maar hij had geen schijn van kans. Zijn longen waren niet volgroeid. Het is een wonder dat hij het zo lang heeft volgehouden. Hij heeft het voor jou gedaan. Zolang jij naast hem zat kon hij je niet verlaten.’ Moeder huilt. Ik ook. ‘Zie je’, zeg ik door mijn tranen heen, ‘je bent een goede moeder. Je hebt als een tijger gevochten. En hij ook.' 

‘Is dat misschien wat hij je wil vertellen?’, vraag ik moeder op de terugweg in de auto. ‘Dat je je niet schuldig moet voelen?’ Ze haalt haar schouders op. ‘Misschien’, zegt ze, ‘maar er is nog iets. Ik ben nooit meer teruggegaan naar het graf. Ik heb het laten verwaarlozen. Ik weet niet eens of ik het nog terug kan vinden. Hoe kan ik hem aankijken als ik er zo’n puinhoop van heb gemaakt?’ ‘Laten we samen teruggaan’, stel ik voor. ‘Dan kopen we bloemen en een schep en maken we er iets moois van. Wat zeg je ervan?’

Als ik haar een week later kom halen is moeder nerveus. ‘Ik durf niet Gitta, blijf je bij me?’, vraagt ze. ‘Natuurlijk’, zeg ik. We lopen de begraafplaats op. Ze hoeft niet te zoeken. ‘Hier is het’, zegt ze. Ze knielt neer. Samen halen we het onkruid weg, leggen bloemen neer, en steken kaarsen aan. Onder het zand vinden we een knuffelbeertje. Na een uurtje ziet het er opgeruimd uit. ‘Zal ik je even alleen laten?’, vraag ik en ik doe een stap achteruit. Moeder blijft zitten. Ze heft haar handen omhoog. Een tijdlang zit ze zo, zwijgend, en ik kijk naar haar. Dan ineens kijkt ze achterom: ‘Hij is hier’, fluistert ze. ‘Hij zegt dat ik niet moet huilen. Dat ik sterk moet zijn. Dat het goed met hem gaat.’ Ze veegt de tranen van haar gezicht. Ze lacht. De zon breekt door.

De weken daarna ontmoet ik de familie van moeder. We bezoeken haar man, in de gevangenis. Ze neemt me mee naar haar kerk, waar ze al maandenlang uit schaamte niet meer komt. Ook daar wordt ze gastvrij onthaald. Er wordt voor haar gebeden, en gezongen. Ze neemt zich voor om weer te blijven komen. Ze gaat er beter uitzien, ze maakt zich weer op, kleedt zich kleuriger. Ook de kinderen lijken opgelucht. Er wordt weer gelachen in huis. 

En dan is de tweede termijn verstreken. Opnieuw heb ik de doelen niet gehaald. Moeder weigert nog steeds naar de psychiater te gaan. Ik vraag om een laatste verlenging van drie maanden maar de casemanager van jeugdzorg is onverbiddelijk. ‘Je bent te betrokken’, zegt ze. ‘Er moet iemand anders in.’ Ik zeg haar dat dat geen kans heeft maar ze wil het niet horen. ‘Er gaat iemand anders in en als moeder weigert doe ik een melding bij de Raad.’

Moeder is woedend als ik haar vertel dat mijn tijd erop zit. ‘Ik wil niemand anders Gitta', zegt ze, 'ik ga het niet doen.’ ‘Dan doen ze een melding’, zeg ik, ‘je moet slim zijn. Ga akkoord en kijk wat er gebeurt. Misschien klikt het ook wel met die ander. Geef hem of haar een kans. En als het niet werkt zien we wel weer. Dan heb je in ieder geval wat tijd gewonnen. Ik kan de eerste keren meekomen. Gooi alsjeblieft niet nu je ruiten in, net nu het beter met je gaat.’ 

In het kille kamertje bij Bureau Jeugdzorg zitten we tegenover elkaar. De piepjonge casemanager van jeugdzorg aan de ene kant, moeder en ik aan de andere kant van de tafel. ‘Zo’, zegt de casemananager. ‘We gaan het traject afsluiten. Vanaf volgende week komt er een andere hulpverlener.’ ‘Nee’, zegt moeder. ‘Jawel’, zegt de casemanager, ‘dat hebben we zo afgesproken. Als u weigert doe ik een melding bij de Raad.’ ‘Dat ís geen afspraak’, briest moeder, ‘dat is chantage. En ik doe het niet. Ik wil naar huis.’ ‘Maar mevrouw’, sputtert de casemanager, haar blik verschrikt. ‘Ik wil naar huis’, zegt moeder nog een keer. ‘Nu.’ ‘Maar mevrouw, begrijpt u wat de consequenties zijn, als u dit niet tekent?’, doet de casemanager nog een poging. Moeder gaat rechtop zitten. Ik voel dat dit gaat mislopen, zie het bureau al door de kamer vliegen. ‘Je hoort haar’, zeg ik kalm tegen de casemanager. ‘Ze wil naar huis. We gaan.’ 

‘Sufferd!’, zeg ik als we buiten staan. ‘Je had gewoon moeten tekenen. Wat gebeurde er nou?’ ‘Ik kan niet liegen’, zegt moeder. ‘Dat siert je’, zeg ik terug, ‘maar onhandig is het wel.’ ’Het spijt me’, zegt moeder. ‘Ik wil gewoon geen ander meer. Ik vertrouw geen witte hulpverleners.’ ‘En wat ben ik dan?’, roep ik. ‘Jij bent door God gezonden’, lacht moeder, en ze geeft me een zoen. ‘Het komt wel goed. Dank je voor alles.’ 




maandag 28 maart 2016

Die mevrouw van jeugdzorg

Givano was door school aangemeld om mee te doen aan het SPRINT-project van Altra Jeugdzorg, een gloednieuwe pilot, destijds, waarbij bepaalde kinderen in de laatste klassen van het basisonderwijs preventief een sociale vaardigheidstraining kregen aangeboden, om te voorkomen dat het -nu nog redelijk beheersbare- gedrag in de puberteit uit de hand zou gaan lopen. De training richtte zich niet alleen op het kind, maar ook op de leerkracht en de ouders, die gelijktijdig geholpen zouden worden bij het herkennen van en het adequaat reageren op het nieuw aangeleerde gedrag, waardoor de kans op terugval minimaal zou zijn. Ik werd als één van de eerste jeugdhulpverleners getraind om dit concept te mogen uitproberen. 
Dus zat ik op een dag, met Givano, zijn moeder en zijn meester, in een kamertje op school, om het startschot te geven. 'Givano', zei ik, 'vertel me eens. Waar ben jij allemaal goed in?' 'In kattenkwaad uithalen', grapte zijn moeder nog voor Givano z’n mond open kon doen. Givano moest lachen en beaamde trots dat hij inderdaad, net als zijn vader, behoorlijk vindingrijk was als het om het bedenken van boevenstreken ging. Verder had hij, volgens de meester, naast een concentratieboog van hooguit drie minuten, een nooit eerder vertoond ontregelend effect op elke groep waarbij hij zich aansloot. 'Ik zie het voor m’n ogen gebeuren, hij hoeft maar langs te lopen en alle kinderen die eerst nog lief aan het spelen zijn vliegen elkaar ineens in de haren, terwijl hij zelf buiten schot blijft.  Hoe hij dat doet weet niemand.' Het was een vrolijk en luchtig gesprek, iedereen had zin en was vol verwachting. Na een uur trokken we onze agenda’s en maakten we een afspraak voor een eerste huisbezoek. Vanuit de auto zag ik Givano en z’n moeder lachend hand in hand naar huis lopen.

Een week later stond ik op een zonnige namiddag voor de deur. Ik belde aan en liep door een betonnen trappenhuis naar boven tot ik ergens een deur zag openstaan. Ik keek voorzichtig de hal in. ‘Hallo?’ Uit de keuken kwam een grote, donkere man op me afgelopen. Hij had een joggingbroek aan met een schort erover en verder niets. Hij was waanzinnig sexy, maar daar kwam ik niet voor. Hij stak z’n hand uit. ‘En jij bent…?’ ‘Gitta, van ALTRA Jeugdzorg, we hadden een afspraak’. ‘Jeugdzorg’, herhaalde hij, en hij sloeg met z’n hand tegen z’n voorhoofd, ‘dat is waar ook. Helemaal vergeten. Wat stom. Mijn vrouw is er niet.’ Hij liep hoofdschuddend de keuken weer in om iets te doen met kip en knoflook in een grote wok boven een enorme vlam. Het rook ontzettend goed. Ondertussen wierp ik een blik in de woonkamer. Daar hing aan een glimmende haak een bokszak aan het plafond. Eromheen dansten drie jongens. Twee van ik schat een jaar of achttien, en de derde was Givano. Ze hadden veel plezier. De muziek stond keihard aan, en de ruimte stond gezellig blauw. Ik rook wiet. ‘Hee dame!’, klonk het uit de keuken, ‘wil je blijven eten?’ ‘Nee, nee!’, riep ik terug, ‘Ik ga weer, jullie hebben duidelijk niet op me gerekend. We maken gewoon een nieuwe afspraak, niks aan de hand.’

Precies een week later stond ik weer voor de deur. Ik liep naar boven, waar naast de trap een keurig rijtje schoenen stond. Ik keek de keuken in. Die was spik en span. Vader, moeder en Givano zaten naast elkaar rechtop op de bank in de woonkamer, die veel ruimer leek zo zonder bokszak. Ze hadden alledrie kleren aan, zondagse kleren, alsof ze naar de kerk moesten, of naar een begrafenis. In plaats van naar kip en wiet, rook het hele huis naar Ambi Pur luchtverfrisser. ‘Goh, komt de koningin op visite?’, vroeg ik aan het rijtje op de bank. Ze keken me alledrie aan. Vader was de eerste die z'n gezicht niet in de plooi kon houden. 'Hahahaha', lachte hij, en knikte met z’n hoofd naar zijn vrouw. 'We hebben haar helemaal gek gemaakt, de jongens en ik, toen ze vorige week terugkwam. Dat die mevrouw van jeugdzorg was langsgekomen, dat ze had gezien wat een zooi het hier was en dat er geblowd werd. Dat ze zeker terug zou komen. En met Givano in een busje weer zou vertrekken.’ 

Ik keek moeder aan. ‘Dacht je echt…’, begon ik, en ze knikte weifelend. ‘Weet je wat ik dacht’, vroeg ik haar, ‘toen ik hier vorige week de deur uit ging? Ik dacht, wat een leuke gastvrije familie. Wat wordt er veel gelachen. En wat ruikt het lekker naar kip. Die Givano die boft maar.’ 

Moeder ontspande en we hadden een serieus gesprek. Over wat ik ook alweer kwam doen. Over de training, en het vrijwillige, preventieve karakter ervan. Dat Givano uit de screening was gekomen vanwege zijn ADHD. Dat niemand twijfelde aan de opvoedvaardigheden van zijn ouders, en zelfs dat als dat wel aan de hand was, niemand van jeugdzorg het in z’n hoofd zou halen om daar op die manier op in te grijpen. Dat je het dan in Nederland wel een graadje bonter moest maken. Vader en moeder vroegen me het hemd van het lijf. Ik realiseerde me met schrik dat de echte reden dat moeder met de training had ingestemd niet was dat ze zich zorgen maakte over het gedrag van Givano, maar dat ze de leraar en die mevrouw van jeugdzorg ter wille had willen zijn. Ik maakte mijn excuses voor de onduidelijkheid en stelde voor dat ze er nog even goed over na gingen denken. Dat ik zin had om met Givano aan het werk te gaan, maar dat het prima was als ze alsnog besloten om niet mee te doen. 

Daarna dronken we een groot glas cola en liet Givano me zien hoe hij zonder zijn handen te gebruiken van de vensterbank met een salto zijn bed in kon komen. 

vrijdag 25 maart 2016

Moeder wil niet meewerken (intro)

Het is een jaar geleden dat mijn boek 'Heb je blij?' verscheen. Een boek dat begon als een blog, over de zoektocht van een moeder  na de ontdekking dat haar kind 'anders' is. Waarom ik eraan begon, geen idee. Ik ging zomaar zitten en de verhalen schreven zichzelf. Het boek dat er kwam was een groot cadeau. Ik kreeg ontzettend veel positieve reacties. Nu nog wordt me regelmatig gevraagd of ik al bezig ben met een vervolg. 

Ik heb daarover getobt. Een vervolg, over Juul, die nu 15 jaar is en de wereld verkent? Kan ik dat maken? Is de puberteit nou niet precies de periode waarin je als kind GEEN ZIN meer hebt in moederlijke bemoeienis? En zeker niet in de openbare ruimte? Ja, denk ik. En nee, er komt dus geen vervolg.

Geen vervolg over het leven met Juul, bedoel ik. Want los van Juul ging 'Heb je blij?' voor een groot deel ook over de slopende, frustrerende zoektocht naar passende hulp, en het grote spanningsveld tussen de overbelaste moeder, en de beterwetende hulpverlener. 

Bijvoorbeeld hier:

"Sinds de diagnose is het een komen en gaan van hulpverleners. Ik vind het stuk voor stuk vuile indringers die in mijn huis niets te zoeken hebben. Vanachter het keukenraam kan ik aan hun grote degelijke tassen, platte schoenen en kordate tred al zien wat voor types het zijn. Als ze tegenover me zitten met een schrijfblok, een leesbril-aan-een-touwtje en een kopje thee ben ik tot de tanden gewapend. Niemand begrijpt mij, en zij al helemaal niet. Meestal open ik het gesprek door te vertellen dat ik van beroep ouderbegeleider ben van ouders met kinderen met ontwikkelings- of gedragsstoornissen, en dat ik tot nu toe nog geen één hulpverlener voorbij heb zien komen die me iets nieuws kan vertellen, laat staan iets waar ik in het dagelijks leven wat aan héb. Dat ik de verslagen allemaal heb gelezen, dat ik begrijp dat de opdracht is deze overbeschermende moeder te helpen bij het loslaten van haar kind, omdat het gewurgd wordt door zoveel moederliefde en dat dat een gezonde ontwikkeling in de weg staat. Ik voeg daaraan toe dat ik geloof in wat ik doe, en dat het me koud laat wat zij, of wie dan ook, daarvan vinden. Dat ik het enorm waardeer dat ze zich zorgen over mij maken, maar dat het een misvatting is dat ik overbelast zou zijn. Met mij en mijn kind is alles in orde, zolang er maar niet te veel vreemden in mijn huis mijn routine verstoren,'want om heel eerlijk te zijn, Gertrude, of Petra, of wat is je naam ook alweer, geeft al die goedbedoelde hulp me meer stress dan ik kan hebben'. Ik geniet ervan als ze na een minuut of tien zenuwachtig op hun stoel beginnen te schuifelen, maar mijn missie is pas echt geslaagd als ik ze in tranen hoor vertellen over hun echtscheiding of veel te zware caseload. In beide gevallen wijs ik ze na een uur vriendelijk de deur en schenk ik mezelf een glas wijn in dat ik in één keer leegdrink op de goede afloop. Ik ben zo'n moeder waarover in teamvergaderingen wordt gepraat als 'een moeder die niet wil meewerken'."

Precies in die periode bezocht ik een congres voor maatschappelijk werkers. Een van de onderwerpen was 'omgaan met moeders die niet willen meewerken', dus ik had m'n mouwen vast opgestroopt. Na het welkomstpraatje moesten we in subgroepen uiteen om het thema uit te diepen. Ik zag mijn collega's driftig knikken en bukken om hun etui en en schrijfblok uit hun tas te halen, want ja, wat is het toch vermoeiend, werken met die wantrouwende moeders die met hun agressieve manier van communiceren het hele hulpverleningstraject verstoren. Wat zou het heerlijk zijn als we daar wat concrete handvatten voor zouden kunnen krijgen. Ze keken hoopvol de kring rond. 'Mag ik wat zeggen', vroeg ik. 'Ik heb hier vrijwel nooit last van'. Het viel stil. 'Hoezo niet?', vroeg een collega achterdochtig. 'Omdat ík de hulpverlener ben en in  mijn optiek wij degenen zijn die moeten meewerken", antwoordde ik, net iets te hard en net iets te fel.' Zij hebben de vraag, wij zoeken samen met hen naar een passend antwoord. Als je je mening of oordeel al klaar hebt en hulp probeert op te dringen kun je een defensieve reactie verwachten. Ik vind dat als we geconfronteerd worden met een moeder die 'niet wil meewerken', dat we dan onze eigen motieven moeten onderzoeken, in plaats van het gedrag van de ander.' Er volgde een pittige discussie waarvan ik niets heb onthouden. De term 'moeder wil niet meewerken' is echter altijd in mijn hoofd blijven hangen. 

Een nieuwe blog. Over het spanningsveld tussen ouders en de hulpverlening. Verhalen uit de praktijk, door de ogen van een jeugdhulpverlener, die tegelijk ook moeder is van een kind dat zijn leven lang wel wat hulp zal kunnen gebruiken. Verhalen over hoe het niet moet. Over hoe het ook kan. Over hoe het soms kan (mis)lopen. Over communicatie. Over moederliefde. Over compassie. Over de Angst voor Jeugdzorg. Over de kwetsbaarheid van ouders. En over de weerstand die daar het gevolg van is. 

Let's get started.