vrijdag 22 april 2016

Schaamte

‘Is het een cadeautje?’, vraagt de mevrouw van de Ako. ‘Nee nee’, stotter ik, ‘Het is voor mezelf’. Snel prop ik het boekje in m’n tas. Eigenlijk zou ik haar willen uitleggen dat het niet mijn gewoonte is dit soort boeken te kopen. Dat ik neerkijk op zelfhulpboeken, van de titel vaak alleen al een beetje misselijk word. Dat ik zelf een boek geschreven heb, en schrijvers die er toe doen in m’n vriendenkring heb. Dat ik normaal gesproken literatuur lees, van grote namen, of kleine ontdekkingen. Dat ik een liefhebber ben van taal, en van verhalen. Dat ik me graag laat meevoeren, in verwondering of bewondering, dat lezen voor mij meer is dan een tijdverdrijf, je zou het een noodzaak kunnen noemen, mevrouw van de Ako. Een boek als dit is voor andere mensen, die dolgraag willen geloven dat het waar is wat het lekkere wijf op de achterflap beweert: dat we slechts tien stappen verwijderd zijn van een opgeruimd leven zonder stress, wát een pretentie hahahaha… Maar de mevrouw van de Ako is allang weer bezig met de volgende klant en ik maak me schichtig uit de voeten. 

In het vliegtuig haal ik het boekje uit mijn tas en bekijk ik het eens goed. ’De moed van imperfectie’ heet het en alsof dat nog niet erg genoeg is staat daarboven, in subtiele groene letters: ‘Mijn nieuwe Super Soulmate.’ - Oprah Winfrey. Ik besluit mijn genadeloze oordeel en het gevoel van verwarring over waarom ik het desondanks kocht naast me neer te leggen en begin te lezen. 

De schrijfster van het boek, Brené Brown, blijkt een onderzoekster die jarenlang onderzoek heeft gedaan naar kwetsbaarheid, moed, authenticiteit en schaamte. Ze ontdekt dat schaamte universeel is, en een van de meest primitieve emoties die wij als mens ervaren. Ze definieert schaamte als volgt: 

‘Schaamte is het intens pijnlijke gevoel dat voortkomt uit de overtuiging dat we niet goed genoeg zijn en daarom geen liefde en verbondenheid waard zijn.’

Het boek is een pleidooi voor het opbouwen van ‘schaamtebestendigheid’ -het vermogen om schaamte te herkennen en erdoorheen te waden zonder gevoel van eigenwaarde te verliezen en onszelf geweld aan te doen- door te praten over de oorzaken van schaamte. ’Hoe minder we over schaamte praten, hoe meer grip schaamte op ons leven heeft’, beweert ze, om vervolgens helder uit te leggen waarom dat nog helemaal niet zo makkelijk is. Een ander hoofdkenmerk van schaamte is namelijk dat we er allemaal tegenop zien om erover te praten.

‘We vinden het allemaal moeilijk om toe te geven dat we ergens mee worstelen, en als we heel hard ons best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat alles er van de buitenkant perfect uitziet, dan zetten we door de waarheid te vertellen heel wat op het spel. Daarom is schaamte ook zo dol op perfectionisten: het is heel makkelijk om ons de mond te snoeren.’ 

Terwijl ik de dag erna door Rome slenter, tussen hordes toeristen die schaamteloos hun witte kuiten tonen onder degelijke korte broeken en ongegeneerd selfies nemen in katholieke kerken, waar de schaamte van de muren druipt, blijft wat ze zegt door m’n hoofd zoemen. Is het waar? Is schaamte een basisemotie waar we echt allemaal mee worstelen, en die we allemaal net zo hard proberen te verbergen? 

Als ik die avond in het hotel een nieuw verhaal begin over een weerbarstige moeder in de klauwen van de jeugdhulpverlening, want dat is mijn nieuwe missie, bedenk ik ineens dat dit nieuwe inzicht over schaamte misschien in dat licht wel een hele belangrijke is. Tot dusver heb ik het ‘zwanengedrag’ van moeders, dat weerstand genoemd wordt in hulpverleningstaal, uitgelegd als angst en onzekerheid. Om als hulpverlener echt te kunnen helpen is het nodig om bij die angst te komen, en daar erkenning voor te geven, veronderstelde ik, door veel tijd te steken in het maken van contact, door goed aan te sluiten en oordeelloos te luisteren. Moeders voelen het, als een hulpverlener een oordeel heeft, en blokkeren direct. Het professionele oordeel raakt namelijk aan hun eigen basisangst/onzekerheid: ‘Ik ben een slechte moeder’. 

Maar hoe zit het met schaamte? Is dat misschien een nog wel diepere emotie, verscholen achter de onzekerheid en de angst het niet goed te doen? Is het niet ook precies die schaamte die ons moeders zo verschrikkelijk kwetsbaar maakt, in een maatschappij die zulke hoge eisen stelt dat het onmogelijk is eraan te voldoen? En is het waar, dat we over alles praten, maar niet daarover, waardoor het alsmaar meer bezit van ons neemt? 

In ‘Heb je blij?’ schrijf ik:

‘Sinds Julian er is erger ik me niet meer aan huilende baby’s in de trein, in het vliegtuig, in een restaurant of in de supermarkt. Is een restaurant nog te vermijden, naar de supermarkt moet je, als jonge moeder, of je het nou leuk vindt of niet. Ik zie hem nog liggen, Julian, ergens in een gangpad. Met een bloedneus, of woest schreeuwend, kokhalzend, met zijn vuistjes trommelend op de vieze vloer. Als ik er even naast ga liggen is het zo over weet ik. Maar ja. Wat zullen de mensen daar wel niet van denken. Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze loeren. ’Zou je zo’n joch niet. Als het mijn kind was gaf ik hem een pak rammel.’ Als ik me goed voel lukt het me soms om de blikken te negeren en mijn aandacht te richten op Julian die daar heus niet ligt om mijn dag te verpesten. Dan zak ik naar gelijke hoogte, kijk ik hem aan en zeg ik zachtjes lieve dingen net zolang tot hij toestaat dat ik hem troost. Dan til ik hem op en vervolgen we onze weg. Als ik me niet goed voel kijk ik gegeneerd naar de omstanders, haal ik mijn schouders op als teken dat ik het ook niet weet en sleur ik hem aan z’n arm naar de uitgang. Of ik laat hem even liggen in de hoop dat hij uit zichzelf opstaat en achter me aanloopt, of nee, laat ik eerlijk zijn, in de hoop dat de mensen vinden dat ik goed bezig ben, opvoedkundig gezien. Dit soort wangedrag moet je namelijk negeren.’ 

Het is een van de talloze voorbeelden uit mijn eigen carrière als moeder, waarin ik me zowel schaam voor de gebeurtenis zelf, als voor het gevoel achteraf me te hebben geschaamd voor het gedrag van mijn eigen kind. Ik besluit deze gedachten vanaf nu mee te nemen naar de gezinnen, me in de eerste kwetsbare gesprekken met de ouders meer bewust te zijn van de schaamte die ze mogelijk voelen over het moeten accepteren van hulp bij het opvoeden van hun kind, en ik neem me voor daar met compassie liefdevol geruststellend op te anticiperen.

Maar nu denk ik alleen nog maar aan mijn gevoel van schaamte toen ik het boekje kocht, en het gevoel van schaamte dat overbleef toen ik het uit had: Ik schaam me voor mijn eigen arrogantie. Maar dat heb ik maar wél mooi uitgesproken. 

Related Articles

0 reacties:

Een reactie posten