maandag 28 maart 2016

Die mevrouw van jeugdzorg

Givano was door school aangemeld om mee te doen aan het SPRINT-project van Altra Jeugdzorg, een gloednieuwe pilot, destijds, waarbij bepaalde kinderen in de laatste klassen van het basisonderwijs preventief een sociale vaardigheidstraining kregen aangeboden, om te voorkomen dat het -nu nog redelijk beheersbare- gedrag in de puberteit uit de hand zou gaan lopen. De training richtte zich niet alleen op het kind, maar ook op de leerkracht en de ouders, die gelijktijdig geholpen zouden worden bij het herkennen van en het adequaat reageren op het nieuw aangeleerde gedrag, waardoor de kans op terugval minimaal zou zijn. Ik werd als één van de eerste jeugdhulpverleners getraind om dit concept te mogen uitproberen. 
Dus zat ik op een dag, met Givano, zijn moeder en zijn meester, in een kamertje op school, om het startschot te geven. 'Givano', zei ik, 'vertel me eens. Waar ben jij allemaal goed in?' 'In kattenkwaad uithalen', grapte zijn moeder nog voor Givano z’n mond open kon doen. Givano moest lachen en beaamde trots dat hij inderdaad, net als zijn vader, behoorlijk vindingrijk was als het om het bedenken van boevenstreken ging. Verder had hij, volgens de meester, naast een concentratieboog van hooguit drie minuten, een nooit eerder vertoond ontregelend effect op elke groep waarbij hij zich aansloot. 'Ik zie het voor m’n ogen gebeuren, hij hoeft maar langs te lopen en alle kinderen die eerst nog lief aan het spelen zijn vliegen elkaar ineens in de haren, terwijl hij zelf buiten schot blijft.  Hoe hij dat doet weet niemand.' Het was een vrolijk en luchtig gesprek, iedereen had zin en was vol verwachting. Na een uur trokken we onze agenda’s en maakten we een afspraak voor een eerste huisbezoek. Vanuit de auto zag ik Givano en z’n moeder lachend hand in hand naar huis lopen.

Een week later stond ik op een zonnige namiddag voor de deur. Ik belde aan en liep door een betonnen trappenhuis naar boven tot ik ergens een deur zag openstaan. Ik keek voorzichtig de hal in. ‘Hallo?’ Uit de keuken kwam een grote, donkere man op me afgelopen. Hij had een joggingbroek aan met een schort erover en verder niets. Hij was waanzinnig sexy, maar daar kwam ik niet voor. Hij stak z’n hand uit. ‘En jij bent…?’ ‘Gitta, van ALTRA Jeugdzorg, we hadden een afspraak’. ‘Jeugdzorg’, herhaalde hij, en hij sloeg met z’n hand tegen z’n voorhoofd, ‘dat is waar ook. Helemaal vergeten. Wat stom. Mijn vrouw is er niet.’ Hij liep hoofdschuddend de keuken weer in om iets te doen met kip en knoflook in een grote wok boven een enorme vlam. Het rook ontzettend goed. Ondertussen wierp ik een blik in de woonkamer. Daar hing aan een glimmende haak een bokszak aan het plafond. Eromheen dansten drie jongens. Twee van ik schat een jaar of achttien, en de derde was Givano. Ze hadden veel plezier. De muziek stond keihard aan, en de ruimte stond gezellig blauw. Ik rook wiet. ‘Hee dame!’, klonk het uit de keuken, ‘wil je blijven eten?’ ‘Nee, nee!’, riep ik terug, ‘Ik ga weer, jullie hebben duidelijk niet op me gerekend. We maken gewoon een nieuwe afspraak, niks aan de hand.’

Precies een week later stond ik weer voor de deur. Ik liep naar boven, waar naast de trap een keurig rijtje schoenen stond. Ik keek de keuken in. Die was spik en span. Vader, moeder en Givano zaten naast elkaar rechtop op de bank in de woonkamer, die veel ruimer leek zo zonder bokszak. Ze hadden alledrie kleren aan, zondagse kleren, alsof ze naar de kerk moesten, of naar een begrafenis. In plaats van naar kip en wiet, rook het hele huis naar Ambi Pur luchtverfrisser. ‘Goh, komt de koningin op visite?’, vroeg ik aan het rijtje op de bank. Ze keken me alledrie aan. Vader was de eerste die z'n gezicht niet in de plooi kon houden. 'Hahahaha', lachte hij, en knikte met z’n hoofd naar zijn vrouw. 'We hebben haar helemaal gek gemaakt, de jongens en ik, toen ze vorige week terugkwam. Dat die mevrouw van jeugdzorg was langsgekomen, dat ze had gezien wat een zooi het hier was en dat er geblowd werd. Dat ze zeker terug zou komen. En met Givano in een busje weer zou vertrekken.’ 

Ik keek moeder aan. ‘Dacht je echt…’, begon ik, en ze knikte weifelend. ‘Weet je wat ik dacht’, vroeg ik haar, ‘toen ik hier vorige week de deur uit ging? Ik dacht, wat een leuke gastvrije familie. Wat wordt er veel gelachen. En wat ruikt het lekker naar kip. Die Givano die boft maar.’ 

Moeder ontspande en we hadden een serieus gesprek. Over wat ik ook alweer kwam doen. Over de training, en het vrijwillige, preventieve karakter ervan. Dat Givano uit de screening was gekomen vanwege zijn ADHD. Dat niemand twijfelde aan de opvoedvaardigheden van zijn ouders, en zelfs dat als dat wel aan de hand was, niemand van jeugdzorg het in z’n hoofd zou halen om daar op die manier op in te grijpen. Dat je het dan in Nederland wel een graadje bonter moest maken. Vader en moeder vroegen me het hemd van het lijf. Ik realiseerde me met schrik dat de echte reden dat moeder met de training had ingestemd niet was dat ze zich zorgen maakte over het gedrag van Givano, maar dat ze de leraar en die mevrouw van jeugdzorg ter wille had willen zijn. Ik maakte mijn excuses voor de onduidelijkheid en stelde voor dat ze er nog even goed over na gingen denken. Dat ik zin had om met Givano aan het werk te gaan, maar dat het prima was als ze alsnog besloten om niet mee te doen. 

Daarna dronken we een groot glas cola en liet Givano me zien hoe hij zonder zijn handen te gebruiken van de vensterbank met een salto zijn bed in kon komen. 

Related Articles

1 opmerking: