dinsdag 26 april 2016

Zij van DWI

Dat er bezuinigd moest worden was (en is) natuurlijk een schande, maar los daarvan kon en moest het ook wel anders in de zorg, vonden velen, waaronder ikzelf. Want, eerlijk is eerlijk, een beetje doorgeslagen waren we wel, in het bemoeien en betuttelen. Sommige gezinnen hadden zoveel hulpverleners dat ze de namen door elkaar gingen halen, en er waren erbij die zo gewend waren geraakt aan de dagelijkse portie support dat ze geen enkele noodzaak meer voelden hun benen van tafel te halen en begonnen te schelden als ze op woensdagmiddag zelf hun kinderen naar ballet of het voetbalveld moesten brengen. 

De hulpvrager moest kortom uit de slachtofferrol, en ‘eigenaar’ blijven van zijn probleem, en de hulpverlener moest in plaats van kopjes thee inschenken, tranen drogen en enveloppen openmaken net zolang motiverende vragen stellen tot de hulpvrager zelf had bedacht wat nou eigenlijk zijn probleem was en wie en wat hij daarbij nodig had om het op te kunnen lossen. Een prachtig concept. 

Er werden wijkteams opgericht, in elke gemeente een beetje anders maar volgens hetzelfde principe. Vanuit verschillende professionele organisaties werden mensen uitgezonden om met elkaar een multidisciplinair team te vormen: een verzameling professionals die, elk met hun eigen schat aan kennis, ervaring en talent, pro-actief de wijk in zouden trekken om de kwetsbare burger met minimale inzet van geld of middelen en maximale inzet van het eigen netwerk weer in z’n kracht te zetten. Eens per week kwamen ze bij elkaar, aan een lange tafel in het buurtcentrum en bespraken ze de verschillende casussen, om inzichten op te doen, van elkaar te leren en elkaar te bevragen of adviseren. 

Een jaar of vijf geleden kreeg ik de vraag of ik, vanuit de organisatie waarvoor ik toen werkte, voor een paar uur per week deel wilde nemen aan zo’n kersvers opgezet wijkteam. Ik riep onmiddellijk ja. Dus reed ik in mijn Skoda op een dag naar Amsterdam Zuid-Oost, waar ik in een onooglijk bunkertje mijn collega-professionals ontmoette: een team van zeker twintig zwaargewichten uit alle hoeken van hulpverleningsland, een team dat op het eerste gezicht net zo multi-cultureel van samenstelling was als de wijk zelf. Ik was onder de indruk. De vergadering verliep chaotisch, ik werd door iemand welkom geheten, er werd geschreeuwd, gelachen, gezucht, er werden thermoskannen koffie doorgegeven en de suiker en de melk, een telefoon ging (“Hallo! Kan ik je later terugbellen, ik ben in vergadering!”), iemand moest eerder weg, iemand kwam later aan en moest ergens anders een stoel vandaan halen, iemand vroeg of  ‘het even centraal kon’, er werd aangebeld, iemand deed open en wees iemand luidruchtig waar hij wél moest zijn, en ondertussen werden er casussen verdeeld (“wie gaat hierop af jongens?”), en casussen besproken, waarbij het mij niet helemaal helder werd op welke manier de voorzitter dacht met zoveel mensen binnen vijftien minuten tot de kern van de zaak te kunnen komen, als daarover niets was afgesproken en bovendien niemand iemand liet uitspreken. Na twee uur vergaderen was ik kapot, maar had ik wel mijn eerste opdracht: Ik mocht gaan kennismaken met een zogenaamd ‘multi-problem’-gezin, ook wel draaideur-gezin genoemd, vanwege de uitzichtloosheid van de steeds terugkerende problemen. 

Later die week reed ik weer naar Amsterdam Zuid-Oost en parkeerde ik mijn auto op een grauw terrein voor een al even grauwe flat. Ik was vroeg dus besloot een stukje door de buurt te lopen. Er lag vuilnis op de stoep, zo te zien al een tijdje. Ramen waren ingegooid. Groepjes mannen hingen rond onder viaducten. Het was de aanblik van de Bijlmer zoals ik die kende van twintig jaar daarvoor, en terwijl ik me steeds ongemakkelijker begon te voelen vroeg ik me af wat er in de laatste jaren gebeurd was, want voor zover ik wist had precies dit stuk van de Bijlmer een jaar of tien daarvoor een grote opknapbeurt gehad. Snel liep ik terug naar de flat en belde aan. 

De lift stonk naar pis, en de muren van de galerij waren afgebladderd. Bij de eerste deur die ik open zag staan keek ik voorzichtig naar binnen. Een magere blanke vrouw kwam op me af en gaf me een hand. Ze zag er slonzig uit en had donkere kringen rond haar ogen. Ik kon haar leeftijd niet goed schatten, ik vermoedde dat ze jonger was dan ik. Langs een berg wasgoed manoeuvreerde ik mezelf de woonkamer in. Daar lag, op een aftandse leren bank een baby'tje te slapen, een heel kleintje nog, ik schat een week of drie. 'Is die van jou?', vroeg ik verbaasd, want daarover had ik niets gelezen. 'Nee', zei ze, 'van m’n nicht.' Ze sloot de deur naar de hal en gebaarde dat we zachtjes moesten praten want haar vriend sliep nog en die had het niet op hulpverleners. 

Wat ik voor haar kon betekenen, vroeg ze me met priemende ogen. Wat ze van mij nodig had, stelde ik haar een wedervraag. 'Een fiets zou heel fijn zijn', was haar antwoord en hoewel ik wist dat ik nu volgens het concept motiverend zou moeten doorvragen over ‘wat ze er zelf al aan gedaan had om aan een fiets te komen’, kon ik dat niet over mijn hart verkrijgen. Ik vroeg haar of ze me wat meer wilde vertellen over hoe haar leven eruit zag, dat ik veronderstelde dat het hard werken voor haar was om haar hoofd boven water te houden, dat ik geen fiets in de achterbak van mijn auto had, maar wel graag met haar mee wilde denken over de problemen waar ze mee kampte en hoe die hanteerbaar te maken. Ze knikte. De fiets bleek nodig om naar de voedselbank te kunnen komen, waar ze op aangewezen was sinds haar ex haar had aangeboden haar huurachterstand in te lossen, en haar sindsdien systematisch onder druk zette de rente terug te betalen, een absurd hoog bedrag waarover bij het aangaan van de lening niets was afgesproken. De vorige keer dat hij langskwam had hij de televisie meegenomen. Een fiets zou ook fijn zijn om haar jongste naar de speelzaal te brengen trouwens, en om haar moeder te kunnen bezoeken, die een blok verderop oud en ziek in bed lag. Ik voelde een knoop in mijn maag. ‘Heb je mensen om je heen die je steunen?’, vroeg ik toch maar verder, volgens de oplossingsgerichte methode. ‘Mijn vriendin Anja’, antwoordde ze, en mijn buurvrouw, hier, aan de rechterkant. Die is slecht ter been, ze is altijd thuis. Soms help ik haar met ramen lappen en boodschappen doen, en daarvoor geeft ze me wat geld, waardoor ik eten kan kopen voor de kinderen. ‘Wat fijn, zo’n buurvrouw’, zei ik, ‘en wat doe je het stoer allemaal. Ik moet nu weer gaan, maar kom volgende week terug. Dan praten we verder, goed?’ ‘Ga je nog voor me kijken of de gemeente een fiets voor me kan regelen?’, vroeg ze. ‘Ja’, zei ik. ‘Ik ga het onderzoeken.’

De week erna bracht ik deze casus in in de teamvergadering. Ik hoopte op informatie over een fonds, of iets van bijzondere bijstand, als vertrekpunt, en verder wilde ik van mijn collega’s horen hoe zij het in godsnaam deden: Licht en vrijwillig werken in gezinnen met zulke zware problematiek. Ik keek de tafel rond en begon mijn verhaal. Het viel nog niet mee om ervoor te zorgen dat ik niet steeds werd onderbroken, en ik was verbaasd door het feit dat veel van mijn collega’s helemaal niet opkeken van de barre leefomstandigheden van deze mevrouw, het normaal leken te vinden en er zelfs grappen over maakten. 'Maar', besloot ik mijn inleiding, 'als het op eigen kracht aankomt, doet deze moeder er alles aan om met hulp van haar netwerk te overleven. Als ze echt geen eten meer kan kopen maakt ze schoon bij de buurvrouw, waar ze vijftien euro voor krijgt en dan nét de week doorkomt.' 

Ik had heus geen applaus verwacht, maar ook niet dat zij van DWI haar laptop zou openklappen en me zou vragen: 'Heb je het BSN-nummer van die mevrouw? Of haar geboortedatum? Dan kijk ik even of ik haar in het systeem kan vinden, want als ze een uitkering heeft moet ze haar bijverdiensten melden. Als ze dat niet doet is ze strafbaar.' Ze keek me streng in de ogen. 'We werken voor de overheid Gitta, we moeten ervoor zorgen dat de regels worden nageleefd.' 

Ik voelde mijn maag samentrekken, werd rood en begon te stotteren. Dat dat nou niet precies het antwoord was waarop ik hoopte en dat ik dacht dat ik hier in alle openheid mijn dilemma’s kon delen. Hoe het zat met privacy. Dat ik genoeg wist en erover na moest denken. Dat ik weg moest. Ik pakte mijn tas en verliet de ruimte. 

Buiten hapte ik naar adem. Mijn hoofd tolde. Ik begreep er helemaal niets meer van en wilde nog maar één ding: Er niets meer mee te maken hebben. Ik reed terug naar mijn moederorganisatie en luchtte mijn hart. Niet veel later besloot ik om van wijkteam te wisselen, en een ander mijn plaats in Zuid-Oost in te laten nemen, omdat de combinatie multi-problemgezin, eigen kracht, lichtgewicht hulpverlening én het handhaven van de regels voor mij, als professional en als mens, te moeilijk te hanteren was.







Related Articles

1 opmerking:

  1. Een heel herkenbaar verhaal. Zelf heb ik hulp gevraagd bij het wijkteam en stuitte al gauw op protocollaire reacties, doelgroepbepalingen, criteria en indicatoren waarin mijn gezin niet paste en natuurlijk de dooddoeners; informele zorg en eigen kracht. Ik ben na 1 jaar nog geen stap verder met mijn gezin. Er werd mij van verschillende kanten geadviseerd om het gierend uit de klauw te laten lopen, zodat de problematiek wel binnen de doelgroep, waarvoor producten door de gemeente zijn ingekocht, past. In deze maatschappij overleven als je niet binnen de standaard past, wordt steeds 'uitdagender'.

    BeantwoordenVerwijderen